David regeerde over heel Israël. Hij behandelde zijn onderdanen goed en rechtvaardig. Joab, de zoon van Seruja, was opperbevelhebber van het leger; Josafat, de zoon van Achilud, was kanselier; Sadok, de zoon van Achitub, en Abjatar, de zoon van Achimelech, waren priester; Seraja was hofschrijver; Benaja, de zoon van Jojada, was bevelhebber van de Keretieten en Peletieten. Davids zonen waren ook priester.